Page content

article content

Nieuwe inzichten over anorexia. Haptonomie helpt! Door Nico Pronk

Een van de meest intrigerende symptomen van Anorexia is de verstoorde beleving van het eigen lichaam. Hoe kan het dat patiënten aangeven dat ze zich – letterlijk – dikker voelen dan ze daadwerkelijk zijn.

Uit onderzoek en de klinische praktijk weten we dat de verstoorde beleving van lichaamsomvang bij Anorexia hardnekkig is. Ook al hebben patiënten na behandeling weer een gezond gewicht en eetpatroon, toch blijft een groot deel hun lichaam ervaren als dikker dan het in werkelijkheid is. Behandelingen die specifiek ingaan op lichaamsbeleving richten zich vooral op hoe patiënten over hun lichaam denken (cognitie) en hoe ze hun lichaam zien (visuele waarneming). Echter, patiënten geven aan dat zij zich hiernaast ook dik voelen en dat zij tijdens therapie wel leren omgaan met de dikke ervaring van hun lichaam (bijvoorbeeld hoe je gedachten over dik zijn kunt ‘wegdenken’), maar dat de verstoorde lichaamsbeleving ondanks alles blijft bestaan.

Conclusie is dat er bij Anorexia-patiënten een discrepantie bestaat tussen de werkelijke afmetingen van het lichaam en het corresponderende interne model dat ligt opgeslagen in het brein, oftewel de lichaamsrepresentatie.

In eerdere studies werd aangenomen dat de waarneming van het eigen lichaam gelijk was aan waarneming van objecten. Dit lijkt een remmende werking te hebben gehad op de ontwikkeling van nieuw onderzoek naar verstoorde beleving van lichaamsomvang bij Anorexia. Verder heeft het maar beperkt geleid tot nieuwe behandelmethodes. Er werd namelijk geen rekening mee gehouden dat -in tegenstelling tot de meeste objecten- lichamen geen neutrale statische entiteiten zijn, maar dat het lichaam onlosmakelijk verbonden is met emoties en attitudes. Als mens heb je automatisch toegang tot zowel objectieve informatie uit meerdere sensorische modaliteiten (bijvoorbeeld hoe je lichaam eruitziet en hoe het voelt) als affectieve informatie over je lichaam.

In zeer recent onderzoek is er gekozen voor een meer cognitief neurowetenschappelijke benadering van lichaamsbeleving bij Anorexia. Deze benadering houdt er wél rekening mee dat representaties van het lichaam speciaal en fundamenteel anders zijn dan objectrepresentaties en dat waarneming/beleving van het lichaam plaatsvindt in een door affect gekleurde multisensorische context.

Voorheen was de heersende opinie dat Anorexia-patiënten geen stoornissen in het lichaamsschema zouden hebben. Men ging ervan uit dat de kern van het als dikker ervaren van het eigen lichaam lag in hoe patiënten over zichzelf dachten en hoe ze zichzelf (visueel) waarnamen. Het lichaamsschema, oftewel het plannen en uitvoeren van bewegingen, zou niets te maken hebben met de beleving van het lichaam als een object in de ruimte.

Echter, de neuropsychologische literatuur laat zien dat het lichaamsbeeld en lichaamsschema in bepaalde situaties met elkaar samenwerken en lichaamsgerelateerde informatie met elkaar delen. Wanneer we ervan uitgaan dat bij Anorexia-patiënten informatie, gerelateerd aan de omvang van het lichaam, verstoord wordt verwerkt of opgeslagen in het brein, dan zou dit dus ook impact kunnen hebben op het lichaamsschema.

Een onderzoek: Lopen door poortjes

In het onderzoek liepen participanten door poortjes van verschillende breedtes. Wanneer we door een (smal) poortje of andere opening lopen dan is ons lichaamsschema van groot belang. Informatie over de afmetingen van ons lichaam uit het lichaamsschema helpt ons namelijk veilig door de ruimte te bewegen. Onbewust weten we wanneer we ons lichaam moeten draaien om ergens doorheen te passen en wanneer een opening breed genoeg is om er rechtuit doorheen te lopen zonder er tegenaan te botsen.

In alledaagse situaties worden dit soort bewegingen vrij onbewust uitgevoerd. Je kunt bijvoorbeeld door een drukke straat lopen en moeiteloos andere mensen en/of objecten ontwijken zonder hier bij na te denken. Om ervoor te zorgen dat participanten tijdens ons onderzoek ook ‘op de automatische piloot’ door de poortjes zouden lopen, is hen aan het begin van het onderzoek niet verteld waar het onderzoek echt over ging. Participanten dachten dat ze meededen aan een onderzoek naar geheugen en voerden ook een geheugentaak uit tijdens het onderzoek. Participanten lopen door poortjes van verschillende afmetingen, waarbij soms gedraaid moet worden en soms niet.

Opvallend resultaat is dat Anorexia-patiënten en gezonde vrouwen verschilden in de breedte van het poortje waarvoor zij hun schouders begonnen te draaien. Gezonde vrouwen draaiden hun schouders bij een poortje dat 25% breder was dan hun eigen schouders, Anorexia-patiënten bij een poortje dat 40% breder was. Patiënten draaiden hun schouders dus al voor poortjes waar ze objectief gezien gemakkelijk rechtuit doorheen hadden kunnen lopen. De twee groepen verschilden niet op andere relevante variabelen, zoals wanneer de schouderdraai ingezet werd of de maximale draaiing van de schouders.

Na afloop van het onderzoek schatten participanten hun lichaamsafmetingen in, waarbij Anorexia-patiënten hun eigen lichaamsbreedte meer overschatten dan gezonde vrouwen. Opvallend genoeg bleek dat patiënten en gezonde vrouwen niet meer van elkaar verschilden in draaimarge wanneer de geschatte lichaamsbreedte werd gebruikt om de draaimarge te berekenen in plaats van de echte lichaamsbreedte. Dit laat zien dat Anorexia-patiënten zich onbewust net zo breed bewegen als ze denken te zijn.

De bevindingen laten voor het eerst zien dat de verstoorde beleving van lichaamsomvang bij Anorexia zich uitbreidt tot het lichaamsschema. Anorexia-patiënten bewegen zich in de ruimte alsof hun lichaam dikker is dan het in werkelijkheid is. Hun acties worden dus, zonder dat ze zich hier geheel van bewust zijn, gebaseerd op een intern model van lichaamsomvang dat groter (dikker) is dan hun werkelijke omvang.

Wat vertellen de bevindingen ons?

De resultaten van onze studies hebben geleid tot een beter begrip van de verstoorde beleving van lichaamsomvang bij Anorexia. Voorheen werd aangenomen dat Anorexia-patiënten ‘slechts’ dachten dat zij een dik lichaam hadden en dat zij hun lichaam visueel als dikker waarnamen. Dit onderzoek geeft aan dat de verstoorde beleving van lichaamsomvang bij Anorexia verder gaat dan cognitieve en visuele verstoringen, en daarmee ernstiger is dan voorheen werd verondersteld.

Belangrijkste conclusies

Bij Anorexia is sprake van multimodale stoornissen in lichaamsbeeld (dus gerelateerd aan waarneming, ook waarneming van aanraking) en lichaamsschema (dus gerelateerd aan het bewegen van het lichaam). Dit heeft belangrijke theoretische implicaties omdat het de gangbare opvatting over lichaamsbeleving bij Anorexia verandert. Maar wat kúnnen we nu met deze nieuwe inzichten? Hoe kan deze nieuwe kennis de behandeling van de verstoorde beleving van lichaamsomvang bij Anorexia verbeteren? Zou haptotherapie een essentiële bijdrage kunnen leveren aan genezing van Anorexia patiënten?

Zoals aan het begin van dit artikel al duidelijk werd is de verstoorde beleving van lichaamsomvang een belangrijk en moeilijk te behandelen symptoom van Anorexia. Tegenwoordig leren patiënten in therapie vooral hoe ze moeten omgaan met het zichzelf als dik ervaren, maar in de klinische praktijk zien we dat deze gevoelens (letterlijk en figuurlijk) van te dik zijn wel vaak blijven bestaan. In huidige therapeutische interventies lukt het dus nog niet altijd om het interne model van het lichaam daadwerkelijk te corrigeren, zodat er sprake is van een meer realistische beleving van lichaamsomvang. Voor Anorexia-patiënten zou het daarom nuttig zijn om deel te nemen aan een interventie die wél zorgt voor dit soort directe feedback over lichaamsomvang.

Denk bijvoorbeeld aan oefeningen waarbij patiënt door een steeds kleinere hoepel beweegt.

Wat belangrijk is, is dat er een discrepantie optreedt tussen wat de patiënt tijdens een oefening ervaart op basis van beweging en gevoel (‘ik pas erdoor’) en wat de patiënt had verwacht op basis van cognitie en visuele waarneming (‘ik zal klem komen te zitten omdat ik te dik ben’). Het is de bedoeling dat deze discrepantie na verloop van tijd fors vermindert of zelfs verdwijnt. Bij andere therapeutische oefeningen, zoals het tekenen van het eigen silhouet zien patiënten wel een verschil (ze krijgen visuele feedback), maar ervaren niet direct dat ze eigenlijk smaller zijn dan wat ze hebben getekend. In dat geval kan het voor patiënten relatief gemakkelijk zijn om het verschil weg te wuiven of toe te schrijven aan andere factoren dan inderdaad dunner zijn dan ze tekenden. Wanneer patiënten daadwerkelijk hun lichaam door een hoepel heen bewegen krijgt het lichaamsschema directe feedback over de werkelijke lichaamsafmetingen, en is er onomstotelijk bewijs dat het lichaam smaller is dan verwacht.

Comment Section

0 reacties op “Nieuwe inzichten over anorexia. Haptonomie helpt! Door Nico Pronk

Plaats een reactie


*